Plaatsen, passages XII

Geef mij maar de brede, de trage rivieren,
de bewegingen die je niet ziet, maar vermoedt,
de drinkende wilgen, de zinloze dijken,
een doodstille stad aan de oever.

Geef mij maar de winter, het armoedige
landschap, de akker zonder het teken
van leven, de kracht van krakende heide.

Geef mij maar de kat als hij kijkt voor
hij springt om te vluchten, te vechten,
te jagen, te paren, als hij kijkt.

Geef mij maar het paard in galop maar
van hout, op zijn zij in het gras.
Geef mij maar een vraag en geen antwoord.

Rutger Kopland