Lang geleden leefde er eens een wijze koning die het geheim van verlichting kende. Op een dag verscheen er een vermoeide reiziger aan het hof. De man was uit een ver land gekomen waar mensen niet meer wisten wat verlichting was en op voet van oorlog met elkaar leefden. ‘O wijze koning,’ sprak de reiziger toen hij voor de koning verscheen, ‘vertel me alstublieft uw geheim, opdat ik mijn volk kan helpen om weer in vrede te leven.’ De koning glimlachte en zei: ‘Ik zal je mijn geheim onthullen, maar rust eerst uit van je lange reis. Wandel door de paleistuinen, eet en drink zoveel je wilt en vraag wat je nodig hebt. Vanavond zien we elkaar bij het diner en dan zal ik het geheim onthullen.’ De reiziger boog en liep de troonzaal uit. Bij de deur werd hij opgewacht door een lakei: ‘Zou u zo vriendelijk willen zijn om deze kaars met u mee te nemen en brandend te houden, totdat de koning u vanavond ontmoet?’  De reiziger nam de kaars aan en dwaalde uren door prachtige tuinen en rijk versierde zalen. Toen de avond viel, werd hij voor het diner ontboden. ‘En,’ vroeg de koning toen ze tegenover elkaar zaten, ‘heb je een mooie dag gehad?’

‘Zeker,’ antwoordde de man, ‘ik zag witte pauwen en zwarte zwanen en heb genoten van  beelden, fonteinen en wandschilderingen. Maar ik was me ondertussen ook steeds bewust van de vlam die ik brandend moest houden.’ ‘Ah,’ sprak de koning blij verrast, ‘dan heb je mijn geheim ontdekt.’